De eerste plaats

Het is in onze samenleving kennelijk belangrijk om bekend en beroemd te zijn. Dat is de boodschap uit de kranten en van de televisie: je moet geprezen en bewonderd kunnen worden, dan tel je mee, of je nu schrijver bent of toneelspeler, musicus of politicus. En dat geldt al helemaal in de sport: EK-voetbal, Olympische spelen en alle jaarlijkse evenementen: Championsleague, Tour de France. Het gaat om meer dan het spel, de eer en de roem. Het is ook big business. Er wordt heldendom gecreëerd door de media dankzij de verering van kijkers, lezers en volgers. Kijkcijfers zijn beslissende factoren en ze zeggen vooral iets over onszelf. Ze laten zien waar we warm voor lopen. Kinderen groeien op in een wereld waarin succes, geslaagd zijn, de beste zijn, rijk zijn, de belangrijkste criteria zijn. Zo niet, dan tel je niet echt mee en wat moet je dan? Je een mislukkeling voelen en je verbergen? We geloven dat armoede eigen schuld is en dat ons geluk maakbaar is. Maar wij volwassenen zijn of waren de opvoeders en dat mogen we ons best realiseren. Wij zijn allemaal een deel van die wereld en medeverantwoordelijk. Daarmee is niet gezegd dat een kind, of een volwassene geen ambities mag hebben en - zijn best niet moet doen. Maar de vraag ”waarvoor” is ook belangrijk. Welke idealen hebben zij en hebben wij? Wat krijgt onze waardering? In de kerk ligt dat anders: daar luidt van oudsher de boodschap: de eersten zullen de laatsten zijn. Die uitdrukking is uit het evangelie afkomstig. Kennelijk wilden mensen in vroeger tijden ook al de eerste zijn, of ereplaatsen opeisen maar zij kregen te horen: stel je bescheiden en nederig op dan loop je minder risico. Het verhaal is opgehangen aan de toen ook al bestaande bobo-cultuur waarin men diners organiseert voor belangrijke mensen met de bedoeling om ook bij de belangrijke, invloedrijke groep te horen, waar je elkaar kunt paaien uit verplichting, uit eigenbelang of voor de eer. Dat heeft weinig te maken met gastvrijheid. Als je echt gastvrij wilt zijn dan kijk je niet of je er wat voor terugkrijgt en gaat het niet alleen om een investering waarvan je rendement verwacht. Deze boodschap lijkt niet meer te passen in onze tijd. Het begrip nederigheid is uit bijna onze cultuur verdwenen. En bij bescheidenheid twijfelen we of het nog wel een deugd is. Als we nederigheid omschrijven als je plaats kennen, klinkt het heel anders. Dan weet je wat je waard bent. Dat betekent kritisch blijven op jezelf, en anderen waarderen om hun goede eigenschappen. Het goede voorbeeld geven en onderscheid maken in wat belangrijk is en wat minder belangrijk is. Het is ook: weten dat je de talenten gekregen hebt en dat niet alles eigen verdienste is. En erkennen dat je niet alles weet, dat je zelf niet het middelpunt van de wereld bent. Want dat zou God moeten zijn en niet een afgod. God vertegenwoordigt het Goede en met die God bepalen we de waarde van de dingen. En dat is niet gemakkelijk. Nederigheid als uitdrukking van minderwaardigheid is niet van deze tijd. Uit zo’n nederigheid zal weinig goeds kunnen voortkomen want die werkt verlammend. Voor bescheidenheid geldt een zelfde soort verhaal. Bescheidenheid siert de mens. Ik hoor het mijn moeder nog zeggen. En als ik er over nadenk, kom ik tot de conclusie dat dit waar is. Ze zei ook: doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Of dat waar is ? Ik betwijfel het, omdat we tegenwoordig wel erg veel gewoon vinden. GildemisMisschien kunnen we beter zeggen: we moeten het goede doen, ook al lijkt dat soms ongewoon. JvdB