De maat der dingen

Vastenavondhumor
Vastenavond, zo heette vroeger carnaval. Sommigen van de ouderen onder ons zijn op de dinsdagavond nog langs de deur gegaan met het vastenavondlied waarin de foekepot nog een rol speelde, een zelfgemaakt instrument met een vel van een varkensblaas. Carnaval een mooi feest met pronkzittingen, optochten, boerenbruiloften en vooral humor. Het mooie is dat mensen hun normale bestaan en belangrijkheid even loslaten en als gewone man of vrouw de gemeenschap ingaan en proberen te spreken in een dialect wat zij niet (meer) beheersen.
Wat humor is en wat niet, daarover blijven de meningen verschillen. Men zegt dat de carnavalshumor goedmoedig en vergevingsgezind dient te zijn, relativerend en beschaafd. Frustraties en gelijkhebberigheid horen er niet thuis.. Het kunnen relativeren is wezenlijk bij humor en een mooie opmaat voor de vastentijd.

Vastentijd en vasten: het vasten is iets dat in alle tijden in bijna alle religies een betekenisvolle plaats heeft ingenomen. Daarbij moet gezegd worden dat het vasten door het opleggen van allerlei regels soms ook een soort vertoning werd, die ook vragen en scepsis opriep. Vooral de huichelarij die er bij hoorde riep weerzin op. Dat zal door vele mensen aangegrepen zijn om het begrip vasten uit hun bestand te wissen.
Als we goed naar de betekenis van vasten kijken kunnen we er in onze tijd best betekenis aan geven. De humor - met name het relativeren- biedt aanknopingspunten. Het relativeren - ofwel het nadenken over de betrekkelijkheid en de samenhang - sluit aan bij een menselijke behoefte. Even de snelheid matigen of zelfs stilstaan, afstand en rust nemen om de balans op te maken en tijdelijk andere keuzes te maken.
Dat kan over alles gaan: over gezondheid die we zelf in gevaar brengen door teveel te eten of te drinken, over onze verantwoordelijkheid voor onze leefomgeving, mensen en milieu, over onze onoplettendheid of klakkeloosheid in je directe omgeving, over het feit dat we door onze leef- en werkstijl roofbouw plegen op onze eigen gezondheid of die van anderen, over hoe we omgaan met onze collega’s, bazen of werknemers.
In de 4e eeuw na Chr. werden de zeven hoofdzonden al omschreven: hoogmoedigheid, hebzucht, mateloosheid (vraatzucht), lust, jaloezie, woede (wraakzuchtigheid) en luiheid. De grote filosofen van de Griekse Oudheid schreven al over de vier kardinale deugden (wijsheid, moed, rechtvaardigheid en gematigdheid) later aangevuld met geloof, hoop en liefde tot de zeven hoofddeugden.
Je hoeft echt niet gestudeerd te hebben om in te zien dat de zeven hoofdzonden nog dagelijks fanatiek bedreven worden als we goed naar het nieuws luisteren en dat we ook zelf -als we tenminste een beetje eerlijk zijn- regelmatig zondigen. De deugden kunnen dienen als tegenwicht maar worden -zo lijkt het- niet erg systematisch geoefend. En dat is wel nodig als we een ‘deugdzaam’ mens willen zijn. Er is dus werk aan de winkel.

Als de hoofdzonde van onze tijd wil ik mateloosheid voorstellen: in vele opzichten zijn we de maat behoorlijk kwijt: de voorbeelden liggen voor het oprapen.
Als we in de vastentijd de deugd van de matigheid serieus zouden oefenen dan profiteren we daarvan niet alleen zelf maar ook mensen in onze omgeving. We geven een goede invulling aan de vastentijd maar belangrijker het profijt blijft voortduren als we geleerd hebben ons te beheersen en - langer dan we gewend zijn – stil te staan bij de maat der dingen.
JvdB